A) Testonderdelen met eigenaar
Testonderdeel kennismaking.
Een testhelper loopt met uitgestoken hand naar hond en eigenaar toe, begroet de eigenaar. Als de hond niet zelf met de naderende persoon contact maakt, aait deze de hond om de passieve vriendelijkheid te testen. Test niet langer dan 30 seconden laten duren. De testhelper geeft de flexilijn met stevige leren halsband (geen slipketting) aan de eigenaar om de hond om te doen.
Testonderdeel voorwerp 1 (grote lap).
De eigenaar loopt met de hond aan een flexilijn naar de pion die op een afstand van l.5 m voor de prikkel staat. Als hij daar staat, wordt een grote lap b.v. jasschort van grond omhoog getrokken en valt vervolgens weer op de grond. De eigenaar blijft staan om de hond de gelegenheid te geven zelf op onderzoek uit te gaan. Na 10 seconden geeft de testhelper een teken en dan gaat de eigenaar naar het voorwerp toe en lokt de hond, als deze niet zelf komt. Dit mag 10 seconden duren en op teken van de testhelper loopt de eigenaar door naar de volgende pion.
Testonderdeel voorwerp 2 (bewegend vreemd voorwerp).
De eigenaar loopt met de hond aan een flexilijn naar de pion die op een afstand van l.5 m voor de prikkel staat. Als hij daar staat, wordt een groot voorwerp langs getrokken. De eigenaar blijft staan om de hond de gelegenheid te geven zelf op onderzoek uit te gaan. Na 10 sec. geeft de testhelper een teken en dan gaat de eigenaar naar het voorwerp toe en lokt de hond, als deze niet zelf komt. Dit mag 10 seconden duren en op teken van de testhelper loopt de eigenaar door naar de volgende pion.
Testonderdeel geluid 1 (alarmsignaal, toeter).
De eigenaar loopt met de hond aan een flexilijn naar de pion die op een afstand van l.5 m voor de prikkel staat. Als hij daar staat wordt, gaat gedurende 10 seconden een alarmsignaal. De eigenaar blijft staan om de hond de gelegenheid te geven zelf op onderzoek uit te gaan. Na 10 seconden geeft de testhelper een teken en dan gaat de eigenaar naar het voorwerp toe en lokt de hond, als deze niet zelf komt. Dit mag 10 seconden duren en op teken van de testhelper loopt de eigenaar door naar de volgende pion.
Testonderdeel geluid 2 (harde klap door blikken op metalen ondergrond).
De eigenaar loopt met de hond aan een flexilijn naar de pion die op een afstand van l.5 m voor de prikkel staat. Als hij daar staat, valt een flink blik met kiezels gevuld, op een metalen plaat. De eigenaar blijft staan om de hond de gelegenheid te geven zelf op onderzoek uit te gaan. Na 10 seconden geeft de testhelper een teken en dan gaat de eigenaar naar het voorwerp toe en lokt de hond, als deze niet zelf komt. Dit mag 10 seconden duren en op teken van de testhelper loopt de eigenaar door naar de plaats van het volgende onderdeel.
Testonderdeel insluiting (3 personen).
Hond en eigenaar staan zo voor een muur/afrastering/hek, dat de hond ruimte heeft om achter de eigenaar weg te kruipen. Aan de muur, afrastering of hek zit een daarvoor geschikt bevestigingspunt met daaraan een lijn van 2 m, waaraan de eigenaar de hond vastmaakt.De flexilijn heeft de hond ook aan de halsband. De eigenaar gaat naast de hond staan en neemt de flexilijn in de hand. De extra bevestiging is een veiligheidsmaatregel. Als achtergrond mag geen verstek gebruikt worden, maar alle andere mogelijkheden (houten of stenen muur, katoenen of canvas scherm, afrastering of hek e.d.). De testhelpers gaan op uitgangspunt op een afstand van ongeveer 6 m van de hond staan. Met normale pas (dus niet vertraagd of versneld) wordt de eigenaar en hond door 3 personen ingesloten.
De testhelpers zwijgen en kijken naar de hond die zover wordt genaderd dat hij net niet bij de helpers kan komen (het einde van de lijn markeren met een kalkstreep op grond is handig!, anders aangeven met pionnen). De testhelpers blijven 5 seconden staan, doen daarna een pas achteruit. Dan pas draaien zij zich om en lopen in hetzelfde tempo terug. De hond wordt niet aangehaald en de testhelpers blijven zwijgen.
Testonderdeel versnelde insluiting (3 personen).
Direct als de testhelpers weer op het uitgangspunt zijn, gaan ze zwijgend en in looppas op de eigenaar en hond af. Ze kijken de hond aan. De testhelpers sluiten de eigenaar en hond in tot zover dat de hond net niet bij hen kan komen (kalkstreep). De testhelpers blijven 5 seconden staan, doen daarna een pas achteruit. Dan pas draaien zij zich om en lopen in het zelfde tempo terug. De hond wordt niet aangehaald.
B) Testonderdelen zonder eigenaar
Testonderdeel passerende hond.
De eigenaar van een van de andere te testen honden, of een testhelper met een daarvoor geschikte hond, loopt met een aangelijnde hond van het zelfde geslacht als de te testen hond in de (kijk)richting van de laatste tot de pion op afstand van 2 m van de alleen gelaten hond. Hij blijft 20 seconden staan en gaat weer weg. De geleider zegt niets tegen zijn hond (geen appel).
Testonderdeel vriendelijke benadering.
De testhelper loopt op een vriendelijke manier recht op de hond af.
Testonderdeel fixerende benadering.
Een andere testhelper als bij vorig onderdeel loopt op een sluipende manier naar de hond toe en kijkt daarbij de hond strak aan. Hij blijft net voor de 2 m cirkel van de hond staan (kalkstreep) en kijkt 20 seconden de hond strak aan (dreigen door fixeren). Als de hond met kop en/of lijf wegdraait, loopt de helper met de hond mee. Na 20 seconden stapt hij naar achter, draait zich om en gaat weg.
Testonderdeel eigenaar met kinderfiguur.
Termenlijst opgesteld in samenwerking met dr. M. B. H. Schilder en drs. D. J. U. Planta (april 2000)
Angstgerelateerde gedragskarakteriseringen
Gereserveerd/wantrouwen: hond nadert voorwerp of persoon niet, geen wijken/vluchten ed., geen houdingsverlaging, geen verdere angstsignalen, negeert lokken, geheven voorpoot kan voorkomen.
Dekking zoeken: hond zorgt ervoor dat geleider/voorwerp/ hond tussen hem en de prikkel in staat.
Agressiegerelateerde gedragskenmerken
Dreigen: tanden laten zien, grommen, borstelen. fixeren, harde blaf, verstarren, stijve kwispel.
Andere gedragskarakteriseringen:
Passief vriendelijk gedrag: hond nadert niet zelf, maar accepteert met kwispel na benadering door persoon, aanhalen zonder agressiesignalen of neiging tot domineren.
Gespannen: hond verstrakt, gespannen staart, geheven voorpoot kan voorkomen.
Contact zoeken: in een neutrale houding: hond kijkt naar geleider, nadert hem, springt tegen hem op (met likbewegingen), stoot de geleider aan met snuit, duwt zijn lijf tegen geleider of gaat vlakbij staan of lopen.
Normering agressief bijtgedrag:
Alleen in testonderdeel 8 (de hond-hond-confrontatie) is één keer agressief bijtgedrag toegestaan.
Onvoldoende beoordeling geschiedt indien de hond agressief bijtgedrag vertoont in andere onderdelen dan het bovengenoemde testonderdeel 8.
Normering angst:
Bij de testonderdelen in aanwezigheid van de eigenaar ( 1 tot en met 7 en 16) is maximaal 3 keer grote angst toegestaan. Bij deze drie keer grote angst mag maximaal één keer paniek voorkomen bij testonderdeel 1 (kennismaking) of testonderdeel 3 (kat) of testonderdeel 5 (blikken).
Bij de testonderdelen in afwezigheid van de eigenaar (8 tot en met 15) is maximaal 7 keer grote angst toegestaan. Bij deze testonderdelen is één keer paniek toegestaan, mits deze optreedt bij testonderdeel 10 (bel) of testonderdeel 11 (paraplu) of testonderdeel 13 (opdringerige pop).
Per 1 juli 2003 is er een wijziging in de normering van de MAG-test.